In de trein van Amersfoort naar Weest komen er drie jonge jongens naast me zitten. Echte pubers; hun gedrag is een mengeling van ‘kijk eens hoe stoer ik ben!’ en ‘zie je me wel, erken je mijn bestaan?’ De conversatie (net iets te luid, uiteraard) schiet van stomme docenten naar medicijnengebruik en van cocaïne naar het avondeten.
Omdat ze doorhebben dat ik mee zit te luisteren, gaat naast het volume ook het taalgebruik steeds een stapje verder. Ik laat het gaan, tot het me te gortig wordt. Eén van de jongens roept dat hij wel wil dat de conductrice komt controleren. “Anders heb ik dat kaartje voor de kat z’n kut gekocht!”
Ik werp hem een blik toe om hem te laten merken dat ik niet van zijn woordkeus gecharmeerd ben. “Ja man!” gooien zijn vrienden er nog een schepje bovenop, “zo praat je toch niet!” Waarop de jongen zich naar me toe draait en met een uitgestreken gezicht zegt: “Sorry mevrouw, ik bedoelde voor de poes d’r poes.”
”I am tired of being called a shrieking harridan for pointing out inequalities so tangible and blatant that they are regularly codified into law. [...] I am tired of being asked to “cite sources” proving that sexism is real (that RAPE is real, even!), because there is no way to concisely cite decades and decades of rigorous academia. Allow me to point at the fucking library. We can’t cite “everything,” and our challengers know that. [...]
But. I couldn’t quit doing this any more than my cells could “quit” processing oxygen (or whatever cells do! Us girls aren’t so good in the sciences!). I’m not a feminist by choice, I’m a feminist because this is the world.”
Gelukkige liefde. Is dat normaal,
verdient dat respect, heeft dat nut –
wat moet de wereld met twee mensen
die voor elkaar de hele wereld zijn?
Zonder enige verdienste tot elkaar verheven,
stom toevallig twee uit een miljoen
en er toch van overtuigd
dat het zo moest gaan – als beloning waarvoor?
voor niets;
het licht valt nergens vandaan –
waarom juist op hen, en niet op anderen?
Is dat kwetsend voor ons rechtsgevoel?
- Jazeker.
Schendt dat onze zorgvuldig opgeworpen principes,
stoot het de moraal van zijn top?
- Het een zowel als het ander.
Kijk eens naar het gelukkige stel:
als ze zich nu een beetje inhielden,
om hun vrienden te sterken
neerslachtigheid voorgaven!
Hoor eens hoe ze lachen – aanstootgevend.
Wat voor taal ze bezigen – alleen in schijn begrijpelijk.
En dan al die vormelijkheden, poespas,
die subtiele verplichtingen jegens elkander –
het lijkt wel een komplot achter de mensheid om!
Je kunt nauwelijks voorzien waartoe dit zou leiden,
als hun voorbeeld nagevolgd kon worden.
Waarop zouden poëzie, religie nog kunnen hopen,
wat zou men respecteren, wat nalaten,
wie zou in de kring willen blijven.
Gelukkige liefde? Is dat echt nodig?
Tact en gezond verstand gebieden ons erover te zwijgen
als over een schandaal in Hogere Sferen.
Prachtige kindertjes worden zonder haar hulp geboren.
Nimmer zou ze de aarde kunnen bevolken,
ze komt ten slotte maar zo zelden voor.
Laat de mensen die geen gelukkige liefde kennen
maar volhouden dat er nergens gelukkige liefde is.
Met dat geloof valt het hun lichter te leven, en te sterven.
Tijdens één van mijn digitale opruimtochten kwam ik het volgende gedicht tegen. Om in gedachten even bij de Syriërs te zijn…
Er was eens een dag
een dag tussen vele
een dag die me zei:
neem vuur, houd het hoog,
en veel vuur, want de weg
is lang, is onbegaanbaar.
Wat deert het als de wanhoop
klopt aan je deur,
poog op te staan
en kras in de muur
eenvoudig, zonder tierlantijnen
‘deze man is wanhopig’
o en zeg je gebieder de sultan
dat je cel niet nauwer is dan
zijn sarcofaag
noch duurzamer dan zijn leven;
op een dag, zei de dag, ontvangt
de aarde zijn lijk,
de voeten naar voren
vergeten erachter
“In een samenleving die doordrenkt is van het geloof in de markt, is het publieke belang iets virtueels – fijn om over te praten, fijn om anderen aan te herinneren, zonder dat het een weerslag in je eigen leven krijgt. Of je verplaatst je morele betrokkenheid ver buiten je eigen omgeving, een soort outsourcing van de publieke moraal – aidsbaby’s, kindsoldaten, rampenslachtoffers. Dat is mooi, want die mensen hebben het pas echt zwaar, maar het confronteert je met weinig of geen lastige dilemma’s in je eigen omgeving. Wat ben je anderen verplicht? Waar ligt de grens van je betrokkenheid?”
Toetsweek in VWO 4, een vraag over sociale mobiliteit. ‘Nederland is volgens rechtse politici een “open samenleving.” Toch zitten er weinig arbeiderskinderen op het vwo. [...] Geef drie redenen waarom de sociale mobiliteit in meer of mindere mate beperkt is voor deze kinderen.’ Een leerling vraagt wat dat zijn, arbeiderskinderen. Kinderen waarvan de ouders uit een lagere sociaal-economische klasse komen, is mijn antwoord. Oh, zegt ze, normále kinderen!